"Waar ligt het verschil tussen een hobby en een beroepsactiviteit?"

De heer M.P van Leuven vraagt ons: "Sinds enkele jaren schilder ik tijdens mijn vrije tijd schilderen. Zo nu en dan verkoop ik er één. Tegenwoordig krijk ik steeds meer bestellingen. Vanaf wanneer ben ik verplicht een activiteit als beroepsschilder aan te geven?"

Een hobbyist is niet verzekeringsplichtig in het sociaal statuut. Enkel beroepslui zijn onderworpen.

Een beroepsbezigheid is een bezigheid die winst nastreeft en die gewoonlijk wordt uitgeoefend. Het sociaal statuut geeft zelf geen omschrijving van het begrip "beroepsbezigheid". De definitie ervan is geïnspireerd op de fiscale omschrijving van het begrip.

Het RSVZ kijkt altijd naar de feitelijke elementen uit het dossier. Hoe de fiscus de inkomsten uit de bezigheid belast, vormt al een eerste indicatie (het fiscaal vermoeden).

Voorbeeld: Wat is het verschil tussen een paardenliefhebber en een professional?

Een veehandelaar (omzet € 2 miljoen) houdt 3 renpaarden en een kweekmerrie. Hij doet mee aan kleine wedstrijden, waaruit hij het ene jaar € 10 000, het andere jaar € 22 000 prijzengeld haalt.

De fiscus beslist dat het om een professionele renpaardenstal gaat omwille van "de ettelijke uren arbeid" die ermee gemoeid zijn, en ziet ook een verband tussen de veehandel en de bezigheden in de paardensport ("bepaalde installaties en de beroepskennis van de veehandelaar 'kunnen' voor de vrijetijdsbesteding gebruikt worden").

Het Hof van beroep [1] vond dergelijke bewijsvoering van de Belastingen toch wat povertjes want "te weinig concreet en precies". Iemand die paarden houdt en deelneemt aan wedstrijden met geldprijzen, is niet per se beroepsmatig bezig. "Het is initieel een sportieve vrijetijdsbesteding die weliswaar de vorm kan aannemen van een economisch gerichte exploitatie met het verwerven van een inkomen als voornaamste doel".

Het hof wijst erop dat het hele gezin zich met de paardensport bezig houdt: de omvang en de samenstelling van het gezin (3 kinderen = 3 paarden) stemmen overeen met de intensiteit van de bezigheid en met de uitrusting die specifiek is voor de paardensport. Er blijkt geen beroepsmatige aanpak uit of oogmerk van economische exploitatie.

Wanneer de inspectie van het RSVZ met zulk dossier geconfronteerd wordt, zal zij een aantal vragen stellen. In het geval van paardenstallen zouden bijvoorbeeld volgende vragen gesteld kunnen worden:

  • hoe worden de diensten van de veearts in rekening gebracht? (apart voor het vee of globaal voor vee én paarden?)
  • met welk materiaal worden de paarden vervoerd (rollend materiaal van het veebedrijf?)
  • zijn de paardenstallen apart verzekerd ?
  • wordt het personeel (al dan niet) van het veebedrijf ook ingezet bij de verzorging van de paarden?
  • wordt er lokale belasting op 'luxe paarden' betaald? (= recreatiepaarden)
  • wordt beroep gedaan op een beroepsjockey en /of op een professionele verzorger?
  • hoe vaak worden paarden aan- en doorverkocht?
  • hoe vaak wordt deelgenomen aan grote paardenrennen?
  • wat is de verhouding tussen het prijzengeld en de gedane investeringen?

Alle antwoorden samen zullen de dienst verzekeringsplicht een idee moeten geven of er in het concrete geval wel degelijk sprake kan zijn van een geheel van onderling verbonden activiteiten die gewoonlijk uitgeoefend worden, voldoende talrijk en belangrijk zijn, en gesteld worden met het oogmerk om winst te maken (ook al wordt er de facto geen winst gerealiseerd).

0
Uw score: Geen

© SDZ - Drukpersstraat 4 - 1000 Brussel | T 02 652 26 92 | E web@sdz.be